Een speurtocht naar mijn onbekende oom.
Al geruime tijd weet ik van mijn vader, dat zijn jongere broer, Leendert (Leo) Burger, geboren op 24 september 1924 in Rotterdam, in het Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen is omgekomen. Hij had er niet graag over, iets wat ik me natuurlijk best kan voorstellen. Ook tijdens de interviews, die ik vanaf eind 2008 hield, kreeg ik er niet veel meer over te weten.
Pas na het overlijden van mijn vader, op 26 februari 2010, kwamen, bij het opruimen van zijn huis, allerlei foto’s en documenten tevoorschijn, die een breder licht wierpen op de geschiedenis van mijn onbekende oom. Hoe meer materiaal ik tevoorschijn haalde, hoe meer ik wilde weten. De gedachte pijnigt mij iedere keer, dat ik dit materiaal niet eerder boven water heb kunnen krijgen en er met mijn vader over heb kunnen praten. Dit betekent dat ik via andere bronnen de informatie boven water moet zien te halen. Alleen de jongste zus van mijn vader, Tini Beurkens-Burger, kan ik nog het een en ander vragen, hoewel zij 9 jaren jonger is dan Leendert en dus relatief weinig herinneringen van haar broer heeft. Rond haar 10e jaar verdween Leendert al uit haar leven. Mogelijk heeft zij hem daarna nog een keer gezien, toen hij bij mijn ouders was ondergedoken.
Met de gevonden foto’s en documenten ben ik aan het werk gegaan. Zo heb ik op 6 juli 2010 een bezoek gebracht aan het Doorgangskamp Amersfoort, alwaar bleek dat zijn naam niet in de archieven voorkomt. Men was daar dan ook blij met de documenten, die ik had. Deze zijn daar gekopieerd en gearchiveerd en tegelijkertijd heb ik een oproep laten plaatsen via het Internationale Onderzoeks Instituut in Bad Ingolsen om meer te weten te komen.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Leendert (Leo) Burger
Leendert (Leo) Burger werd, als 4e kind van Adrianus (Jaas) Burger en Dirkje Overkleeft, op 24 september 1924 aan de Mathenesserdijk 24 B te Rotterdam geboren. Over de jonge jaren van Leo heb ik weinig tot niets aan gegevens. Wel zijn er enkele foto’s waarop Leo als jonge jongen te zien is. Zo is er een foto van de lagere school waar hij op staat.
Als tienerjongen gaat hij, net als zijn oudste broer Ben, korfballen. Gezien latere berichten in brieven moet hij daarin erg goed geweest zijn. Na de lagere school ging Leo naar de HBS. Ook daar is een klassenfoto uit 1942 van klas 5c. Ik mag hieruit concluderen dat Leo zijn werkzame leven begonnen moet zijn in 1942, zo rond juli/augustus. Ook hier volgt hij zijn vader en oudste broer Ben en gaat bij de Belastingdienst werken.
Leo heeft niet lang bij de Belastingdienst gewerkt, omdat de Duitsers werkkrachten nodig hadden voor de fabrieken in Duitsland. Ze zochten hiervoor speciaal ongetrouwde jonge mannen.
Mijn vader zei tijdens een interview het volgende over deze periode:
Leo werkte na zijn examen HBS op het 3e ontvangkantoor der belastingen in Rotterdam West. Hij is daar als ongehuwde jonge ambtenaar door zijn baas verplicht opgegeven aan de vragende hogere instantie (verplichte mensenhulp in Duitsland).
Leo stuurt
zijn eerste brief op 6 juli 1943 vanuit Kassel (Blad
1, blad
2). Hieruit blijkt dat hij er nog maar kort is. De brief is gericht aan
zijn zus Ali en aan Arie en zijn zussen gericht. Hij geeft daar aan hoe
slecht het eten is. Ook geeft hij in deze brief zijn werknummer aan, dit is
61027. Ook geeft hij zijn adres weer:
L. Burger
G.F.W. Wohnlager Wartheland
Kassel Bettenhausen
Barak 3
Kamer 1
Duitsland
In een
brief, die Leo schreef op 7 september 1943 (Blad
1, Blad
2, Blad
3, Blad
4, Blad
5 en Blad 6), gericht aan mijn ouders, blijkt
dat hij in Kassel tewerk is gesteld en daar al minstens in juli 1943 was. In
deze brief geeft hij ook aan dat hij in het ziekenhuis ligt. Hij werd daar
behandeld voor zijn neus. Hij beschrijft dat hij op 30 augustus 1943
plotseling hevige buikloop krijgt. De artsen vermoedden dat hij Tyfus heeft
en Leo wordt overgebracht naar een ander gebouw, waar een speciale afdeling
voor Tyfuspatiënten is gevestigd.
Verderop in de brief gaat Leo opeens over op de data 8 en 9 augustus, maar ik denk dat hij zich hier heeft vergist, aangezien hij in de brief aangeeft dat hij vermoedelijk net niet zij verjaardag (24 september) net niet thuis zal kunnen vieren. Trouwens, hij heeft het in de brief ook nog over 29 augustus 1943, wanneer er een onderzoek plaatsvindt.
In de brief geeft Leo gedetailleerd weer welke maaltijden hij in het ziekenhuis kreeg op 7 en 8 september 1943. Ook is uit de brief op te maken, dat hij ruim een maand in het ziekenhuis lag op 29 augustus 1943, dus ergens medio juli 1943 moet hij zijn opgenomen.
Met deze gegevens, die hiervoor genoemd zijn kan ik alvast de volgende tijdlijn opzetten:
|
- |
Juni/juli 1942 |
Leo verlaat de HBS en gaat werken bij de Belastingdienst Rotterdam |
|
- |
Juli 1943 |
Leo wordt in Kassel opgenomen in het ziekenhuis voor een neusoperatie. |
|
- |
29 augustus 1943 |
Eerste bezoek |
|
- |
30 augustus 1943 |
Hevige buikloop, vrees voor Tyfus. Leo wordt overgebracht naar een ander gebouw. |
|
- |
31-8 t/m 3-9 |
Streng dieet (haverpap met water en Zwieback) |
|
- |
2 september 1943 |
1e onderzoek naar Tyfus stoelgang/urine: geen Tyfus indicatie; Bloed: van geen belang. |
|
- |
4-9 t/m 6-9 |
Lichte kost |
|
- |
7 september 1943 |
Eerste volledige maaltijden |
|
- |
8 september 1943 |
Leo verwacht bezoek van Henk Suurmeijer. Henk zal de brief meenemen naar Holland. |
|
- |
a.s. vrijdag |
Leo zal dan 2e onderzoek krijgen. |
Op 21 oktober 1943 stuurt Leo een
briefkaart (blad
1, blad 2).
Hij beklaagt zich hierin, dat hij nog steeds geen brief heeft
terugontvangen. Hij zegt, dat hij brieven heeft gestuurd op 6 juli, 11 juli,
25 augustus en 31 augustus 1943. Hij verstuurd de kaart vanuit het
ziekenhuis. Tevens vermeld hij dat er bij een bombardement zijn
tandenborstel is kwijtgeraakt en dat er veel verbrand is. Henk Suurmeyer
(waarschijnlijk iemand die hij goed kende) is er slecht aan toe.
Onderduiken – verraden – en afgevoerd
Zoals uit de brief van Leo van 7 september 1943 blijkt, dat hij verwacht 2,5 of 4 weken verlof te krijgen om aan te sterken en daarna weer terug te keren naar Kassel. Gezien de kaart van 21 oktober 1943 is dit dus later geweest.
Uit de interviews die ik met mijn vader gehouden heb zei hij het volgende:
Leo is vanuit Rotterdam verplicht geworden om naar Duitsland te gaan om te werken. Dit moet ergens in 1942/1943 zijn geweest. Daar is hij geweest in Kassel. Daar werkte hij in een vliegtuigfabriek. Maar hij werd ziek in Kassel. Het bleek later dat hij tyfus had. In die tijd dat hij in het ziekenhuis lag werd Kassel gebombardeerd. Dat waren de eerste zware bombardementen van de Engelsen en Amerikanen met 1000 bommenwerpers. Tijdens dit bombardement is Leo toen naar de kelder van het ziekenhuis gebracht. Hij heeft mij, later, nooit echt verteld wat er daar gebeurd is. Hij weet alleen dat het verschrikkelijk geweest is.
Deze zwaarste bombardementen zouden, volgens inquiry op Google, in de nacht van 22 op 23 oktober 1943 hebben plaatsgevonden. Leo werd toen overgebracht naar de kelders van het ziekenhuis. Kort daarna zou hij met verlof zijn gestuurd voor een maand, naar zijn ouders in Rotterdam. Dit betekent dat Leo eind oktober, begin november 1943 in Rotterdam moet zijn aangekomen. Vrij kort daarna is hij daar weggegaan en naar zijn broer Ben in Terneuzen gereisd. Dit is wat mijn vader erover vertelde:
Na het bombardement is hij met "Urlaub" gestuurd naar Rotterdam. Daar is hij een paar weken gebleven. Daarna moest hij eigenlijk weer terug naar Duitsland. Ik zat in Terneuzen. En op een gegeven moment stond hij ’s avonds voor mijn deur. “Mag ik binnenkomen”?, vroeg hij. Toen heb ik hem gevraagd “wat wil je”? “ja, ik wil niet terug naar Duitsland”. Ik zei toen: “dat betekent dat je niet naar buiten mag”. Dat was ergens in 1942. Zijn haar groeide weer, dit was door de ziekte flink uitgedund. Hij is wel een keertje ’s avonds mee op visite geweest bij mensen die het wisten. En of dat voor later heeft meegespeeld, dat weet ik niet. Het hoeft er maar eentje te zijn die ergens anders loslaat van: daar zit een onderduiker. Dat weet ik niet, dat durf ik ook niet te zeggen.
Het door mijn vader vermelde jaartal van 1942 klopt niet, dit moet 1943 zijn. Vermoedelijk zal dit midden of eind november 1943 geweest moeten zijn. Hier heeft hij dus ongeveer een halfjaar ondergedoken gezeten. Hij zag mijn oudste broer Adri opgroeien en heeft dus ook zijn eerste verjaardag meegemaakt.
Noot Adri: Adri weet zich nog te herinneren dat er een foto moet zijn dat hij als baby in de armen van oom Leo ligt.
Ik heb nog een brief van “Toetie” Brinks aan oom Leo, die eind 1943 bij pa aankwam. Leo heeft deze nooit ontvangen. “Toetie” woonde aan de Mathenesserdijk 38. Volgens mij is oom Leo eerst in een Nederlands kamp geweest, daarna ergens in West Duitsland en tenslotte in Bergen-Belsen.
Maar, zoals hiervoor al gememoreerd werd door mijn vader, ging Leo dus een enkele keer over straat en dat is hem uiteindelijk fataal geworden. Mijn vader hierover:
En toen is hij op een gegeven moment kennelijk verraden. Ik weet wel, het was najaar 1943, dat op een nacht, om een uur of twaalf, er werd gebeld.
Ook hier zit mijn vader, qua tijdsbepaling ernaast. Uit een brief (Blad 1, Blad 2 en Blad 3) van een buurman (P.J. Gaanderse) van twee huizen verderop (Dokweg 13) blijkt dat Leo op 12 mei 1944 is opgepakt. Mijn vader heeft dit relaas in een interview verteld:
Wij lagen op bed. En toen moest ik halsoverkop naar beneden toe, gauw in de broek geschoten. Het waren NSB’ers. En de leider, de naam weet ik niet meer (wel een Hollandse naam), kwam mijn broer halen. Leo heeft nog geprobeerd om via het dak te vluchten. Maar dat kon niet, want achter stonden ook NSB’ers te wachten. Het was een hele groep die daar kwam. Ze durfden het niet alleen te doen. En toen heb ik gevraagd: “waar gaat hij naartoe”? “Naar het politiebureau”. Ik vroeg: “mag ik dan mee”? Dat kon, ik werd later ook weer thuisgebracht. Ik weet nog wel dat 1 man ’s nachts de wacht had op het politiebureau. En op dat politiebureau heb ik gevraagd: “mag ik even praten met mijn broer”? Ja hoor, dat mocht. Dus ik heb met hem een heel gesprek gevoerd precies wat we zouden zeggen als we een onderzoek kregen. En dat die dingen klopten met elkaar. En dat gold ook voor een deel over het voedsel. Heel belangrijk is het voedsel. Niet een plakje ham of iets dergelijks, nee, maar brood. Dat is een belangrijk voedsel wat in een gezin nodig is om te leven. Er mocht niet uitkomen dat we extra voedselbonnen kregen. En ik heb toen verklaard, dat ik dat kreeg van een gezin met 7 (of 9) kinderen. En die hadden dat voedsel. Die hadden kinderen, oplopend van jong naar ouder. Het was een betrekkelijk jong ambtenarengezin, de Bree geheten. Dat heb ik toen verteld toen ik werd opgeroepen, een paar dagen later, door een Duitse officier, die de leiding had in Terneuzen. En daar werden vragen aan mij gesteld. Daar zat je aan een tafel, voor hem lag een pistool en ik zat aan de andere kant.
En daar werden die zelfde vragen gesteld van: “hoe komt u aan het eten”? Toen heb ik dat verteld van die 7 (of 9) kinderengezin. Ik heb later, toen ik op kantoor kwam, heb ik verteld aan die man (de Bree) dat ik hem genoemd had als leverancier van broodbonnen. Die man scheet bijna in zijn broek. Ik zei: “als je dat maar verteld is er niks aan de hand”. Het is hem nooit gevraagd. Ik weet nog dat ik tegen die officier gezegd heb “ik heb het van die en die, daar woont hij, ga het hem maar vragen”. Met andere woorden, dat klonk zo overtuigend dat deze officier het zo gelaten heeft. En allemaal in het Duits. In mijn beste Duits heb ik dat toen gedaan. En hij heeft even gedreigd dat ik zo naar Duitsland gestuurd kon worden. Eerst heb ik hem verteld dat Leo mijn enige broer is. Dat hij dus ziek vanuit Duitsland naar Nederland is gekomen en dat hij het bombardement op Kassel heeft meegemaakt en eigenlijk niet meer terug wilde. Nee, nee, zei de officier dat kan zomaar niet, hij had gewoon terug moeten gaan. En ik maakte me strafbaar in het feit dat ik hem onderdak verleende. Ik zei: “dit is mijn enige en jongere broer, wat zou u doen in dit geval”? Daar bleef hij het antwoord op schuldig. En ik heb ook nog gezegd: “ik ben ambtenaar, in dienst van de Nederlandse Belastingdienst, dus eigenlijk in een dienst waar jullie mee te maken hebben dat het bestaat. Maar dat is terloops geweest. Ik mocht niet weg, ik moest beschikbaar blijven, ik mocht Terneuzen niet verlaten. Ja, je kunt je voorstellen een paar dagen later waren we weg. Met de boot en de trein, en die trein moest nog stoppen in Brabant voor een luchtaanval. En zo zijn wij dus naar Zuid Limburg gekomen en daar heb ik dus bij mijn schoonouders gezeten. Niet echt lang, ik ben er maar een korte tijd geweest. Adri is ondergebracht bij de familie Wolfert. En toen zijn we teruggegaan. Toen dachten wij, nou kan het wel weer. Het is een kwestie van ongeveer twee weken geweest. Ik weet wel dat het verblijf, dat ik dus weggeweest was, was op kantoor begrepen. Ze wisten dat ik door dat verhoor het nodige te verwerken had. Ik heb er verder geen last meer mee gehad tot de bevrijding kwam. En de bevrijding heeft verschillende facetten gehad. Maar ik kan wel zeggen dat de bevrijding ervoor zorgde dat dat muisje nog een ander staartje heeft gehad.
Deze buurman dhr. Gaanderse schreef deze brief op 13 mei 1944 en richtte deze aan de burgemeester van Terneuzen, dhr. Klomp. In deze brief werd gesuggereerd dat Leo, samen met zijn broer Ben, regelmatig ‘buiten’ zijn geweest om bijv. Naar de fam. Wolfert te gaan. Ook staat er geschreven dat Opa ‘Jaas’ Burger een paar keer op visite is geweest en dat Leo een paar keer in de nacht naar Rotterdam is geweest. De heer Gaanderse was duidelijk voor de Duitsers en noemt onze familie anti’s en gaat hier en daar flink tekeer tegen onze familie en de vrienden van mijn ouders (Vraag: hoe komt pa eigenlijk aan deze brief?).
Op 17 mei 1944 schrijft diezelfde heer Gaanderse een brief aan mijn ouders. Hierin geeft hij aan, dat
· Hij afgelopen zaterdag heeft gehoord dat er iemand in de Dokweg ‘des nachts’ is opgepakt;
· Hij Nationaal Socialist is;
· Hij bemerkt dat de buurt hem ervan beschuldigt Leo verraden te hebben;
· Hij, ondanks zijn Nationaal Socialistische gedachtengoed, nooit iemand zou verraden;
· Hij aan mijn ouders verzoekt de praatjes over hem de ‘kop in te drukken’.
Of oom Leo direct naar Kamp Amersfoort is overgebracht durf ik te betwijfelen. Uit informatie bij Kamp Amersfoort op dinsdag 7 juli 2010 heb ik begrepen dat onderduikers eerst ergens in een gevangenis belanden om daarna naar een kamp overgebracht te worden (Taak: Uit zien te vinden waar hij dan tussentijds is ondergebracht).
Maar het feit is dat Leo in juli in Kamp Amersfoort zat, want eind juli 1944 stuurt hij een brief naar mijn ouders (het poststempel geeft aan: 25 juli 1944). Op de brief (een speciale brief waarop vermeld staat Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort) staat zijn naam, bloknummer en kampnummer (dus: L. Burger, Blok IV, kampnummer 12.445).Uit informatie bij Kamp Amersfoort gold Blok IV als de plek waar de zieken waren ondergebracht. Dit zou dus betekenen, dat Leo nog steeds niet (helemaal) hersteld was van zijn ziekte.
Zijn tweede brief uit kamp Amersfoort stuurt oom Leo in augustus 1944 (Blad 1, Blad 2, Blad 3 en Blad 4) naar zijn ouders. Die wonen aan de Mathenesserdijk 24 B in Rotterdam.
Daarna werd het stil en is er niets meer van oom Leo vernomen. Pas in maart 1946 kwam, na door mijn vader gevraagde informatie, van het Internationale Rode Kruis het droevige bericht dat oom Leo op 20 maart 1945 is omgekomen in kamp Bergen-Belsen.
Kort daarop heeft mijn opa Burger een advertentie in de krant laten plaatsen en heeft er in het korfbalkrantje van de KV Spangen (Blad 1 en Blad 2) een berichtje gestaan.
Mijn vader heeft in zijn leven na de oorlog (ik ben pas in 1952 geboren als jongste zoon) nauwelijks iets verteld over oom Leo. Wel dat hij een mooie zeilbootmodel had gebouwd (deze was ongeveer 40 tot 50 cm lang, had een volle tuigage en compleet met zeilen). Ik weet, dat ik als tienerjongen deze boot nog heb laten varen, net zolang, dat het vocht de romp ging aantasten en de boot uiteindelijk stukging. Achteraf, als ik had geweten wat dit bouwwerk voor mijn vader en als herinnering betekend had, zou ik nooit met deze boot zijn gaan varen en zou ik hem koesteren en duidelijk zichtbaar in de woonkamer tentoonstellen.
Op 16 juli 1946 stuurt ene heer Postma een brief aan pa en ma, waarin hij zijn spijt betuigt, dat hij eigenlijk mede schuldig is aan de dood van oom Leo. Hij was namelijk één van die NSB’ ers, die op die bewuste nacht oom Leo kwamen ‘ophalen’.
Wat mij altijd heeft verbaasd is dat mijn vader het nooit over deze brieven van de NSB’ers heeft gehad en ook niet dat hij ze in zijn bezit had. Pas na het overlijden van mijn vader op 26 februari 2010 kwamen deze pas tevoorschijn.
Noot 1
In september 2010 heb ik, samen met mijn vrouw en mijn broer Adri een bezoek gebracht aan het kamp Bergen-Belsen. Het was indrukwekkend en onbegrijpelijk dat daar zoveel mensen bij elkaar zaten (vooral in de laatste maanden van de oorlog). We troffen de naam van oom Leo in één van de twee herdenkingsboeken, die daar apart neergelegd lagen. In de middag hebben wij informatie gevraagd over eventuele transporten tussen kamp Amersfoort en kamp Bergen-Belsen. Want wij zagen bij de tentoonstelling geen enkele aanwijzing dat er zo’n transport zou hebben plaatsgevonden. De dame achter de balie kon daar geen antwoord op geven en riep er iemand bij. Deze stelde zich voor en vroeg ons om mee te gaan naar de eerste etage van het gebouw in een soort werkkamer. Daar lieten wij de documentatie zien, die wij van oom Leo verzameld hadden. Hij was daar zeer verheugd over en vroeg of hij het mocht copiëren. Hierin hebben wij toegestemd en een korte tijd later kwam hij met de documenten terug en een CD waarop hij deze documenten had laten branden (die kregen we kado). Ook kregen wij de twee herdenkingsboeken als dank gratis mee. Op de vraag of er ooit een transport heeft plaatsgevonden tussen kamp Amersfoort en kamp Bergen-Belsen gaf hij een ontkennend antwoord. Dit betekende, dat oom Leo dus nog in een ander kamp gezeten moest hebben, voordat hij overgebracht werd naar Bergen-Belsen.
Noot 2
In het najaar van 2011 hebben Ank en ik tweemaal een bezoek gebracht aan mijn oom Gerard Beurkens. De eerste keer was een bezoek aan oom Gerard naar aanleiding van het overlijden van tante Tini. Oom Gerard had toen een pakket foto's liggen, die voor mij interessant konden zijn (en dat zijn ze ook). Het tweede bezoek was om de foto's, nadat ik ze gescand had, weer terug te brengen. Tijdens deze tweede keer hadden we het over oom Leo. Toen ik het had over een eventueel ander concentratiekamp tussen kamp Amersfoort en Bergen-Belsen zei hij, dat oma (mijn oma Burger) het ook over een kamp had, waar hij nog gezeten had. Toen ik de naam van kamp Neuengamme liet vallen zei oom Gerard direct: "ja, dat is het, dat zei oma toen". Dit was weer een kleine stap naar verder onderzoek.
Met deze gegevens heb ik eerst op internet gesurfd naar het kamp zelf. Daar kwam ik niet veel verder. Ik heb nog wel een soort oproep geplaatst of de naam Leendert (Leo) Burger daar ergens bekend voorkomt. Maar helaas, dit bleek niet zo te zijn. Via de Puttense groep kreeg ik een mededeling om de transportlijsten van september en oktober 1944 van jamp Amersfoort naar kamp Neuengamme te raadplegen of hij daar op vermeld staat. Dit moet ik nog gaan doen.